Mijn zienswijze op het 7e actieprogramma nitraatrichtlijn.

Mijn zienswijze op het 7e actieprogramma nitraatrichtlijn.

Geachte minister Schouten, beste Carola,

Het is alweer twee jaar geleden dat wij u op ons akkerbouwbedrijf hebben mogen ontvangen. De droogte was toen de aanleiding. Blij verrast waren we met de tegenuitnodiging waar onze dochter Sterre en ik te gast bij u waren tijdens de viering van Prinsjesdag. In de gesprekken die we in 2019 hebben gehad heb ik u leren kennen als een minister met kennis van zaken die weet waar ze over praat. Het concept 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn waarin het ministerie van LNV een aantal maatregelen voorstelt om de waterkwaliteitsdoelen in de Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water te halen komen voor mij dan ook als een grote verrassing. De voorstellen voor duurzame bouwplannen zijn zeer ingrijpend voor de akkerbouwsector, maar volgens mij schiet u uw doel voorbij. In deze brief maak ik graag van de gelegenheid gebruik om dit nadere toe te lichten.

Waterkwaliteit

Uit het ontwerp 7e Actieprogramma blijkt dat de normen voor de grondwaterkwaliteit uit de Nitraatrichtlijn in onze regio (zandgronden) ongeveer op het gewenste niveau van 50 mg/l zitten. Bij collega’s op klei- en veengrond wordt dit niveau onder normale omstandigheden eenvoudig gehaald. Mochten er nog gebieden zijn die niet aan de doelen voldoen dan is het beter om dit gebiedsgericht en gewas specifiek aan te pakken in plaats van de hele sector het leven moeilijk te maken.

Duurzame bouwplannen: Rustgewassen

In 2023 wordt het verplicht om elke vier jaar een rustgewas te telen in het bouwplan. Vanaf 2027 wordt dit zelfs elke drie jaar verplicht. Een maatregel die voor heel Nederland gaat gelden, terwijl zoals bovengenoemd de waterkwaliteitsdoelen in het grootste gedeelte van ons land worden gehaald.

Meer graan in het bouwplan zal ten koste gaan van de teelt van financieel interessante gewassen zoals aardappelen en suikerbieten. Hierdoor krijg ik met een inkomensdaling te maken en dat terwijl juist de kosten steeds verder toenemen. En levert de teelt van graan (als rustgewas) echt een hogere bijdrage aan het voorkomen van nitraatuitspoeling dan andere gewassen?

De afgelopen jaren zaaien we vanggewassen na zomergerst, meer dan de wettelijke verplichting. Dit doen we omdat het goed is voor de bodem. Deze groenbemester werken we eind december door de grond, zodat deze kan verteren en we er voor de vervolgteelt wat aan hebben. Dat mag straks ook niet meer. Dan krijgen we hetzelfde als bij het scheuren van grasland. Dat moet nu in het voorjaar, met het gevolg dat het gras onvoldoende verteert en we extra moeten bemesten. Vooral in droge zomers, die hebben we steeds vaker, blijft het gras onverteerd in de grond achter. Een ander nadeel van een perceel groen de winter door is dat de vorst haar werk niet kan doen. Vorst heeft een positief effect op de bodemstructuur. En achter gebleven aardappels vriezen kapot. Met een vanggewas is dat niet aan de orde waardoor problemen met aardappelziektes als aardappelmoeheid toe kunnen nemen. Iets wat zeer onwenselijk is.

Duurzame bouwplannen: Inzaai vanggewassen

Als tweede maatregel wordt voorgesteld dat op onze zandgronden vanaf 2023 60% van het areaal voor 1 oktober ingezaaid moet worden met een vanggewas. Op het moment van schrijven van deze brief zijn al onze aardappels nog niet geoogst en moeten we nog starten met het suikerbieten rooien. Deze maatregel is dus niet haalbaar. Op het voorstel om vanaf 2027 het volledige bouwplan voor 1 oktober in te gezaaid te hebben met rustgewassen ga ik maar niet op in.

Dit voorstel staat haaks op de praktijk, zoals ik dat steeds vaker zie. De zetmeelaardappeloogst startte hier dit jaar op 2 oktober. Mijn eerste suikerbieten worden rond 22 november gerooid. De laatste bieten gaan pas tweede helft december uit de grond. Deze gewassen groeien dus nog volop. Door de opgelegde datum van 1 oktober wordt ik gedwongen om vroegtijdig te oogsten. Hierdoor mis ik bij mijn zetmeelaardappelen enkele weken groei en bij mijn suikerbieten zelfs enkele maanden. Dit betekent een verhoging van de milieu impact, een veel lagere opbrengst en een kwalitatief minder goed product (een lager suiker- en zetmeelgehalte). Maar ook een lager inkomen voor mij en mijn gezin.

Bovendien krijgen onze coöperaties Avebe en Cosun het een stuk moeilijker omdat de kwaliteit van de gewassen een stuk minder is, de bewaarbaarheid minder wordt en de verwerking in kortere tijd zal moeten gebeuren. En dat terwijl campagnes uit kostenoogpunt juist steeds langer zijn geworden de afgelopen jaren. Al met al komt de concurrentiepositie van onze coöperaties onder druk te staan en dit gaat ten koste van het verdienvermogen van telers.

Duurzame bouwplannen: Bufferstroken

Als laatste worden er bufferstroken, of teeltvrije zones opgelegd, van 2 meter langs watergangen tot 5 meter langs ‘ecologisch kwetsbare waterlopen en KRW-waterlichamen’. Allemaal grond dat uit productie wordt genomen. Kostbare landbouwgrond wat niet meer beteeld wordt en dus ook geen inkomsten meer genereerd. En de inkomenspositie van de landbouw staat al onder druk.

Tijdens Prinsjesdag 2019 vroeg ik u of het nog wel leuk was om minister van Landbouw te zijn. U stelde mij een wedervraag, of het nog wel leuk was om boer te zijn. Ik heb dat met een volmondig JA bevestigd. We zijn inmiddels twee jaar verder. En soms zakt mij de moed ook wel eens in de schoenen. Ik heb een geweldig vak en ben elke dag met veel plezier op de boerderij bezig. Maar als ik hoor hoe er over ons als sector gepraat wordt en hoe makkelijk bepaalde regels zoals de nitraatrichtlijn worden opgelegd dan vergaat mij de lol ook wel eens. Dat er steeds meer geëist wordt van de landbouw past in de hedendaagse tijd, maar dan zal daar wel wat tegenover moeten staan.

In 2019 gaf u in interview een talkshow ons akkerbouwbedrijf een compliment voor hoe we met duurzaamheid bezig zijn. De maatregelen zoals hierboven benoemd doen daar afbreuk aan. Ik doe dan ook een dringend beroep op u en uw ministerie om de maatregelen aan te passen naar de boerenpraktijk. Zodat dat mijn bedrijf niet onnodig beperkt wordt in het ondernemen en dat er doelmatige en meer gebiedsgerichte en gewasspecifieke maatregelen komen in plaats van generieke maatregelen.

Met vriendelijke groet,

Jan Reinier de Jong